Kasteel Olsene

110 jaar geleden was een Nokeraar de hoofdacteur in een drama dat zich afspeelde in het zomerse decor van het Kasteel van Olsene. De man was er jachtopziener van kasteelheer Piers de Raveschoot en had zijn oog laten vallen op de keukenmeid. Een gebroken hart en een geladen geweer bleken een noodlottige combinatie te zijn: “Wij ontleenen (…) de volgende bijzonderheden over een drama te Olsene. De jachtwachter Jules Nolf, geboren te Nokere, 45 jaar oud, jonkman, wonende in een huisje op den eigendom zijns meesters, was met duiven naar Ledeberg bij Gent geweest, om ze te laten inkorven voor eene prijsvlucht op Dourdan. Hij was met den trein van 4,36 ure terug te Olsene. De personen, welke hem langs de baan ontmoetten, bemerkten niets ongewoons aan hem. Aan het huis van M. Mehuys, koster en juwelier, bleef hij eenige oogenblikken naar de uitstalling zien. Het kon zoo wat 5 ¼ ure zijn, toen hij op het kasteel zijns meesters aankwam. Deze was per rijtuig naar Bottelare gereden. De drie meiden van den heer burgemeester Camilla Minjau, keukenmeid, Marie Fierens en Bertha Malfait, zaten in den hof kousen te vermaken. Rond 5 ¾ ure kwam Nolf in hunne richting met zijn tweeloopgeweer. De meiden stelden zich wederkeerig de vraag wat Nolf nu ging doen, toen deze eensklaps riep: ‘Hebt gij de Heilige Schriftuur gelezen?’. Op hetzelfde oogenblik legde hij aan. Hij was alsdan een dertigtal meters van de meisjes verwijderd. Deze vluchtten verschrikt weg. Twee schoten knalden echter bijna gelijktijdig en Camilla stortte neder, in het hoofd getroffen. Zij was op den slag gedood. De ongelukkige had zich nog getracht te beschermen met den arm voor het hoofd te houden. De duim der linkerhand, waarover eene kous gestoken, werd afgeschoten. De moordenaar liep dan naar zijn huis, wierp zijn geweer op tafel en eene karabien nemende laadde hij ze en loste zich een schot in het hoofd. Het hoofd werd letterlijk vaneengerukt en de hersenen spatten in alle richtingen. Ook hij was onmiddellijk dood. Op het oogenblik der losbrandingen en de hulpkreten der twee andere meiden, liepen geburen ter plaats. Deze verwittigden de gendarmen, priester en doktor, doch geene hulp kon nog baten. M. De Backer, geneesheer te Machelen, die toevallig in het dorp was, kon niet dan den dood vaststellen. Na de noodige pleegvormen, werden de lijken naar het doodenhuis der gemeente overgebracht. De ongelukkige Camilla Minjau, was 27 jaar oud. Hare ouders wonen op de wijk Molenkouter of Dries. Haar vader, Eugeen Minjau, bijgenaamd ‘De Schaper’, was in de nabijheid van de plaats der misdaad bezig met het gras te snijden voor zijne beesten. Hij was een der eerste bij het lijk zijner arme dochter. De smart van den beproefden ouderling was hartverscheurend. Wat de eigenlijke oorzaak van het drama geweest is zal men wellicht nooit te weet komen. Er werd verteld dat Nolf gepoogd had, betrekkingen aan te knoopen met zijn slachtoffer, doch er is daaromtrent geene zekerheid. De familie Minjau wordt waarlijk door het noodlot achtervolgd. Een tweetal jaren geleden schoot de broeder van Camilla Minjau, die te Lier soldaat was, zijne minnares dood, waarna hij zich zelfmoordde. Een drietal andere familieleden van het meisje verongelukten. Eene nicht van het slachtoffer van Donderdag wierp zich, eene maand geleden nabij Antwerpen onder een tramrijtuig en werd vermorzeld. Elkeen in de streek heeft oprecht medelijden met de arme nabestaanden van Camilla.” (De Denderbode - 13.08.1908).